Kleinigheden

Michelinkaart 72 Michelinkaart 72
Omslag 'Een zwervend bestaan'
Omslag ‘Een zwervend bestaan’

Bob den Uyl schreef in 1977 de bundel ‘Een zwervend bestaan’. Nu ik bezig ben met een reisverslag uit 1984 (te verschijnen dit najaar in De Balk #7) merk ik weer hoe goed zijn (reis)verhalen zijn.

Ik heb de Salamander pocketversie van het boek uit 1989 recentelijk weer herlezen. Ik heb nog steeds geen idee wat er precies op de bewogen foto op het omslag staat, is het een wegrestaurant, een hotel? Toch past het beeld met de donkere lucht prima bij het boek, of heb ik het in de loop der jaren passend gemaakt.

“Je indruk van een etablissement, stad of land wordt bepaald door kleinigheden.” – Bob den Uyl

Werkend aan mijn verslag stuit ik op het fenomeen van het zich vakkundig verborgen weten te houden van bepaalde attributen op het moment dat je ze nodig hebt. Zo was ik eerder bij het doorzoeken van mijn archief een stukje papier tegengekomen dat een rugzak begeleidde nadat die tijdens de vlucht was zoekgeraakt en naderhand terugbezorgd. Nu blijkt dat dit document hoort bij de reis waarvan ik het verslag wil publiceren, maar de lezer begrijpt het al: het laat zich niet meer terugvinden. Alle dozen heb ik opnieuw systematisch doorgewerkt, maar niets. (Iets dergelijks doet zich overigens ook voor met gereedschap tijdens een klus in huis. Uren- of zelfs dagenlang weten schroevendraaiers en andere instrumenten zich uit het zicht te houden).

Favoriete passage

De bundel ‘Een zwervend bestaan’ bevat ook mijn favoriete passage (ik heb het complete werk van Den Uyl al zeker vijf keer herlezen, dus ik kan dit nu wel veilig stellen):

“In Engeland kan je ook vreemde dingen meemaken. Als ik in Londen het Imperial War Museum betreed om de aldaar ordeloos neergeworpen oude rotzooi weer eens te bekijken en ik bij de ingang mijn tas moet laten onderzoeken op helse werktuigen, roep ik ‘Boem! als de portier naar binnenkijkt en met zijn hand erin graait (toegegeven, vrij kinderachtig, maar ik was het ook niet echt van plan geweest, ik probeerde me alleen voor te stellen wat er zou gebeuren als je ‘Boem!’ riep, en toen was het er al uit voor ik het kon tegenhouden). Zijn enige reactie is: ‘Ah, u bent geen Engelsman,’ en daarmee kan ik gaan.

In een ander Londens museum waar ik een kaartje moet kopen voor een tentoonstelling, kan ik wederom vaststellen dat er in mij geen Engelsman schuilt. Ik overhandig het gevraagde bedrag aan een man en ontvang een klein toegangsbewijs, dat me ogenblikkelijk weer uit de hand wordt gerukt door een andere man, vlak naast de eerste staande, die dit biljet ruw in tweeën scheurt, mij de ene helft teruggeeft en de andere helft in een bak schuin achter hem werpt.

Een merkwaardig tafereeltje, want waarom scheurt die eerste man dat kaartje niet zelf in tweeën? En waarom moet dat kaartje eigenlijk gehalveerd worden, nog wel zonder mijn toestemming? Verkoop dan alleen halve kaartjes, spaart nog geld uit ook. Er is geen zinnige reden voor te bedenken, maar toch zie je dat wel meer, dat geheimzinnige gehannes, dus ik neem veiligheidshalve maar aan dat er een goede reden voor is die buiten mijn waarnemingssfeer ligt.

Aardig wordt het pas als ik de snipper die ik weer in mijn hand krijg geduwd ook maar in die bak schuin achter de man gooi, want wat moet ik daar verder nog mee. Maar dat kan helemaal niet! Geschokt, alle vreemdelingen vervloekend, buigt hij zich over de bak, met één hand zoekend naar mijn helft van het kaartje en met de ander mij de toegang versperrend. Als hij het heeft gevonden, krijg ik het met een boze blik weer toegestoken en mag ik passeren. Achter zijn rug gooi ik dat kaartje toch weer in die bak zonder dat hij het ziet. Maar als ik aan het eind van de gang nog even omkijk vóór ik de hoek omsla, zie ik dat hij me sprakeloos nakijkt, omringd door eveneens met stomheid geslagen bezoekers die hem gluiperig op mijn wandaad attent gemaakt moeten hebben. Ik heb het grondig bij hem verbruid, dat is duidelijk, hier hoef ik niet meer terug te komen.

Een gebeurtenis van geheel andere aard, maar toch niet zonder dieper verband, vond een paar maanden geleden plaats in het Franse St. Gaultier, waar ik in de enige papierhandel ter plaatse de Michelinkaart nummer tweeënzeventig kocht. Buitengekomen wilde ik de kaart opbergen, maar bemerkte dat ik daartoe te veel in mijn handen had: kaart, wisselgeld, zonnebril, fietshandschoentjes en een sigaret. Om hierin verandering te brengen besloot ik eerst de wegenkaart even op de smalle stoep te laten vallen om de handen wat vrijer te krijgen. Dat deed ik; ik keek de kaart na om te zien waar hij terecht kwam, zag hem half op de stoeprand vallen en vervolgens in de droge goot tuimelen. Daarna zag ik hem, terwijl ik niet begrijpend toekeek, heel langzaam onder de stoep verdwijnen, alsof daar een handje inzat dat hem steels naar binnen trok.

De oplossing bleek eenvoudig: mijn kaart was het slachtoffer geworden van de rare Franse gewoonte de putten aan de stoeprand niet van een zichtbaar ijzeren deksel te voorzien, maar de noodzakelijke opening te laten bestaan uit een langwerpige lage boog aan de verticale zijde van de stoeprand, van bovenaf onherkenbaar. Welnu, niets aan de hand, even een nieuwe kaart gekocht, maar weer terug in de winkel ondervond ik enige tegenzin de op een stoel achter zijn toonbank gezeten bejaarde eigenaar dat hele verhaal te gaan doen; zoiets wil een Fransman weten, maar tegelijkertijd was het verhaal net iets te ongewoon voor hem, hij zou daar toch niets van begrijpen, dus zei ik maar weer: ‘Michelinkaart tweeënzeventig, alstublieft.’
Argwanend keek hij mij aan, terwijl hij zei dat ik die toch net gekocht had. ‘Dat is zo,’ zei ik, ‘maar ik wilde er nog een hebben.’ Toen werd hij vreemd genoeg vreselijk kwaad, hij begon helemaal op te zwellen en te roepen dat ik geen oude mensen in de maling moest nemen en dat ik beter kon opsodemieteren.

Zo’n onverwachte reactie verbaast me altijd weer en het is, meen ik, niet overdreven hierin een essentieel verschil te zien tussen Fransen en Engelsen. Ik bedoel, in een Frans museum had ik gerust mijn halve kaartje mogen werpen in welke bak ik maar wou, terwijl men mij in Engeland onbewogen zou hebben bediend al zou ik tien keer achtereen hetzelfde voorwerp in een winkel hebben gekocht.”